Een tweetalig kinderdagverblijf 

Linguïstische omgeving

80% van de kinderen die geboren worden in deze wereld leren naast hun moedertaal 2 tot 3 talen.

De periode tussen de geboorte en drie jaar is bevorderlijk voor het leren van talen vanwege de plasticiteit, of het aanpassingsvermogen, van het peuterbrein. Bovendien kunnen kinderen op jonge leeftijd gemakkelijker de klanken van verschillende talen in hun omgeving onderscheiden. Dit maakt het voor hen gemakkelijker om een taal te spreken. Tweetaligheid heeft ook gunstige effecten op de cognitieve ontwikkeling van het kind en helpt het neurale netwerk te verrijken en de executieve functies van de hersenen te ontwikkelen.


In het kinderdagverblijf Parenthèse M wordt elke groep kinderen begeleid door twee beroepskrachten welke twee verschillende talen spreken. Dit kan zijn Frans en Engels of Frans en Nederlands. De beroepskrachten zijn moedertaalsprekers van hun referentie taal en spreken de hele dag alleen in die taal met de kinderen.

De kinderen worden systematisch aan beide talen blootgesteld, waardoor zij de talen in hun eigen tempo kunnen verwerken en uiten.

Onze kinderopvang is een taalrijke omgeving waarin de kinderen spontaan de talen in zich opnemen en leren uiten welke in dagelijkse activiteiten vanzelf ontstaan.

Daarnaast heeft het kind de keuze om tegen de desbetreffende leidster te spreken, in de taal naar zijn/haar keuze.

MYTHEN OVER BILINGUALISM

Sommige mensen vrezen dat het leren van meer dan één taal hun kind een taalprobleem zal bezorgen. Toch groeit 80% van de geboren kinderen in de wereld op met het leren van 2 tot 3 talen tegelijk met hun moedertaal.

Recente studies tonen aan dat het leren van twee of meer talen geen taalachterstand veroorzaakt, noch taalproblemen verergert bij kinderen die deze hebben.

Het is heel gewoon dat een kind dat twee of meer talen spreekt, niet in elke taal dezelfde sterke punten heeft. Het kan bijvoorbeeld beter geconstrueerde zinnen produceren in de ene taal en een preciezere en rijkere woordenschat gebruiken in de andere. Ook kan hij of zij de woordenschat van emoties kennen in de taal die thuis wordt gebruikt en de woordenschat van dieren in de taal van het kinderdagverblijf.

Het is belangrijk om alle zinnen en woorden in beide talen te bekijken. Dat is de manier om te beoordelen of de taalontwikkeling van een tweetalig kind normaal is, niet door de taalvaardigheid in één taal te beoordelen.

Bovendien kan de taal die het kind op een bepaald moment het best beheerst, in de loop van de tijd variëren en veranderen en afhangen van de context waarin het de taal gebruikt en van de mensen tot wie het zich richt. Het is dus mogelijk dat zij in een bepaalde periode van hun leven de ene taal beter gebruiken en beheersen dan de andere (bv. de thuistaal op 3-jarige leeftijd) en in een andere periode (bv. in groep 2) beter worden in de tweede taal.

Ten slotte kunnen kinderen de twee talen in een zin mengen wanneer zij het woord in de andere taal niet kennen. Dit is een normaal verschijnsel dat geen aanleiding tot bezorgdheid hoeft te geven.